Bestrijding geweld tegen vrouwen : De mogelijke toetreding van de EU tot het Verdrag van Istanboel

De helft van de EU-leden heeft het Verdrag voor de bestrijding van geweld tegen vrouwen nog niet geratificeerd. Het Europees Parlement en de Commissie hebben nu besloten dat de EU moet toetreden tot het Verdrag. Dit zou een doorbraak voor een echt Europees beleid tegen geweld kunnen betekenen.

Precies zes jaar geleden werd het Verdrag van Istanboel over de bestrijding van geweld tegen vrouwen ondertekend. De helft van de EU-lidstaten heeft het verdrag echter nog steeds niet geratificeerd. In de komende maanden kan er dankzij een nieuwe reeks van ratificaties en voornamelijk dankzij een mogelijke toetreding van de EU zelf tot het Verdrag er wat gaan veranderen. Deze toetreding is een voorstel van de Europese Commissie en krijgt brede steun van het Parlement dat in de afgelopen weken het onderwerp op de agenda heeft gezet in afwachting van een besluit over onderhandelingen in de Raad van Europa.

De mogelijke toetreding van de EU tot het Verdrag van Istanboel is geen vervanging van de individuele toetreding van lidstaten tot het Verdrag, maar eerder een aanvulling. Het moet in eerste plaats de bevoegdheden dekken van de Europese instellingen die zich bijvoorbeeld bezighouden met de rechten van slachtoffers en migranten en samenwerkingen in strafrecht. De toetreding van de EU zou bovendien de efficiëntie en samenhang verhogen van nationaal beleid tegen gendergerelateerd en huiselijk geweld, dat per lidstaat nog redelijk verschilt. Volgens het Europees Parlement is de toetreding van de EU tot het Verdrag van Istanboel gunstig voor de ontwikkeling van een omvangrijke Europese strategie tegen gendergerelateerd geweld en ongelijkheid.

Wat is het Verdrag van Istanboel?

Het Verdrag voor het voorkomen en bestrijden van geweld tegen vrouwen en huiselijk geweld is een verdrag dat is ontwikkeld door de Raad van Europa en dat ondertekend werd in Istanboel in 2011 en van kracht werd in 2014. De Raad van Europa is onafhankelijk van de EU en houdt zich voornamelijk bezig met mensenrechten, democratie en rechtsstatelijkheid. De organisatie houdt onder meer toezicht op de naleving van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden. Niet alleen de EU-lidstaten zijn aangesloten bij de Raad, maar ook landen uit de Balkan, Kaukasus en Oost-Europa. Het Verdrag voor de bestrijding van geweld tegen vrouwen is door 44 landen ondertekend.

Het Verdrag van Istanboel is het eerste internationale verdrag dat specifiek is gericht op het bestrijden van geweld tegen vrouwen en biedt precieze wettelijke verplichtingen voor de aangesloten landen. Hoewel de nadruk wordt gelegd op de noodzaak van het effectief vervolgen van geweld vanuit strafrechtelijk oogpunt, geeft het Verdrag ook een uitgebreide visie op geweld, de wortels en de manieren om het te bestrijden. Autoriteiten en de burgermaatschappij zouden, volgens het verdrag, de beschikking moeten hebben over een uitgebreid scala aan middelen om het probleem aan te pakken, zelfs op economisch, sociaal en cultureel niveau.

Langdurig proces

De bekrachtiging van internationale verdragen is vaak een langdurig proces: sommige overheden ondertekenen mensenrechtenverdragen onder druk en om de publieke opinie te kalmeren, maar gaan niet over tot ratificatie die het verdrag bindend maken. Tot op heden is het Verdrag van Istanboel door 14 van de 28 EU-landen geratificeerd. Het proces is over het algemeen het snelst verlopen in de West-Europese landen, met uitzondering van Polen en Roemenië dat het verdrag ruim voor Duitsland en het Verenigd Koninkrijk hebben bekrachtigd.

istanbul

De landen die het Verdrag van Istanboel hebben geratificeerd (in blauw) en zij die dat nog niet hebben gedaan (in het rood).

Het Verdrag van Istanboel is vanaf de bekrachtiging direct rechtsgeldig. Veel landen moeten daarom voor de ratificatie hun strafrecht en andere wetten over geweld aanpassen zodat ze in lijn zijn met de definities en verbintenissen in het Verdrag. Soms heeft de vertraging meer te maken met politieke dan technische redenen. Zo is er polemiek ontstaan rond het concept ‘gender’ en het ter discussie stellen van genderstereotypes, een debat dat vooral door leden uit conservatieve katholieke kringen is gevoed.

Aan de andere kant is er de afgelopen maanden nieuwe onwil ontstaan om tegen geweld tegen vrouwen in actie te komen, een onwil aangewakkerd door de decriminalisering van sommige vormen van huiselijk geweld in Rusland en het in twijfel trekken van bepaalde rechten voor vrouwen in Turkije, Polen en andere landen. Door lidstaten te vragen het Verdrag te bekrachtigen wil het Parlement dat zij de overeenkomst volledig naleven en niet langer de minder welkome gedeeltes vermijden.

Geweld tegen vrouwen in de EU

De Europese Commissie heeft besloten om 2017 te wijden aan de bestrijding van geweld tegen vrouwen door een campagne te starten en er geld beschikbaar voor te stellen. Door de verschillen tussen de landen is de campagne echter afhankelijk van het initiatief van individuele landen. Een van de obstakels waar deze Europese aanpak mee te maken heeft, is dit gebrek aan uniformiteit in de definiëring van het begrijp geweld tegen vrouwen, een obstakel waar het Verdrag van Istanboel juist een einde aan moet maken.

In 2014 publiceerde het Europees Bureau voor de grondrechten een onderzoek dat, samen met de Eurobarometer van 2016, een empirische basis vormt waarop een Europees initiatief tegen geweld kan worden gebaseerd. “In Europa heeft een op de drie vrouwen minstens een keer in haar leven te maken met fysiek of seksueel geweld. [...] Een op de vijf vrouwen (18 procent) is het slachtoffer van onderdrukking, een op de twintig is verkracht en meer dan een op de tien heeft te maken gehad met seksueel geweld waarbij geweld is gebruikt.” Er is ook een schatting gemaakt van de economische kosten van het geweld tegen vrouwen: 230 miljard euro per jaar.

De EU en andere rechtsverdragen

De EU spreekt al tientallen jaren over de directe toetreding tot het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, dat door alle lidstaten individueel is ondertekend. Hoewel het Verdrag van Lissabon voorziet in een toetreding tot het Europees Verdrag, kwamen de onderhandelingen in een impasse na een negatief oordeel van het Europees Hof van Justitie. De bevoegdheden van Europese instellingen voor het beschermen van fundamentele mensenrechten binnen de EU zijn veelvuldig op de proef gesteld, beginnende met het Verenigd Koninkrijk en meer recentelijk met zaken in Hongarije en Polen.

Het beschermen van individuele rechten en het vechten tegen discriminatie blijft daarom een gebied dat gereserveerd is voor natiestaten of in het uiterste geval gedelegeerd wordt aan de Raad van Europa: de toetreding van de EU tot het Verdrag van Istanboel zou een belangrijke vooruitgang voor de activiteiten van Europese instellingen op dit vlak betekenen. Een eerste stap werd gezet in 2010 toen de Europese Unie de VN-conventie inzake rechten van personen met een handicap bekrachtigde. In dit geval trad de EU gezamenlijk met individuele landen toe tot een verdrag waardoor de naleving van de Conventie in Europees -en niet alleen nationaal- beleid gegarandeerd werd.

Dit artikel is tot stand gekomen dankzij het Parliament of Rights-project dat mede wordt gefinancierd door de Europese Unie. Osservatorio Balcani e Caucaso Transeuropa en zijn partners zijn volledig verantwoordelijk voor de inhoud van deze publicatie. Het artikel representeert op geen enkele wijze de mening van de Europese Unie.

Factual or translation error? Tell us.