Hongarije: Viktor Orbán spant kunstschilders voor zijn karretje

7 februari 2012
SME Bratislava

Fragment van het schilderij "Startsein voor de cavalerie-aanval", van János Kornai, over de onderdukking in 2006.
Fragment van het schilderij "Startsein voor de cavalerie-aanval", van János Kornai, over de onderdukking in 2006.

Centraal in het politieke project van de Hongaarse premier Orbán staat de bevestiging van de nationale Hongaarse waarden. Deze ambitie komt ook tot uitdrukking in vijftien schilderijen, die speciaal voor een expositie in het kasteel van Boeda zijn vervaardigd en sinds begin 2012 te zien zijn.

De Nationale Hongaarse Galerie, die zich in een majesteitelijk gebouw van het kasteel van Boeda bevindt, biedt momenteel twee zeer educatieve exposities. De eerste, getiteld Helden, koningen en heiligen, omvat de bekendste werken van de Hongaarse romantische schilderkunst van eind negentiende eeuw. De tweede, getiteld Hedendaagse schilders over de Hongaarse geschiedenis, nodigt je uit een sprong voorwaarts te maken van meer dan honderd jaar. Toch staat deze tentoonstelling in een soort organische continuïteit met de eerste expositie. De vijftien schilderijen die op last van de persoonlijke commissaris van de premier zijn vervaardigd, vormen een geïllustreerde wegwijzer in de nieuwe Hongaarse grondwet en moeten de nationale Hongaarse romantische schilderkunst aan het begin van de eenentwintigste eeuw vertegenwoordigen. En daarnaast hebben beide exposities nog iets gemeen.

Buitenlandse politici worden als symbolische beulen afgebeeld

Zij verbeelden wat de regering van Viktor Orbán onder authentieke kunst verstaat en de wijze waarop zij deze nieuwe officiële esthetische canon aan haar onderdanen wil opleggen. Zeker, sommige van deze doeken zijn van hoge kwaliteit, maar het is duidelijk dat zij niet vanwege het talent van hun maker uitgekozen zijn. Het belangrijkste punt is hier dat de conservator, Imre Kerényi, en de opgetrommelde kunstenaars hetzelfde gedachtegoed aanhangen. Kerényi, die voor 1989 bekend stond om zijn taferelen van communistische hoogtijdagen, beroemt zich erop dat hij de kunstenaars tijdens het scheppingsproces kon sturen en stimuleren dingen te wijzigen en toe te voegen.

Op de schilderijen worden de belangrijkste momenten van de Hongaarse geschiedenis uitgebeeld. Hoogtepunt van de expositie is een doek met daarop Sint-Stefanus, de stichter van de Hongaarse staat, die met een zwaard naar de nieuwe grondwet wijst. Dit zwaard symboliseert vastberadenheid, "want om deze nieuwe grondwet goed te keuren, moet je niet aarzelen of bang zijn", legt de schilder uit. Te midden van de helden van de geschiedenis van de natie [die op het schilderij zijn afgebeeld] ontbreekt Orbán, maar dat is alleen, zo zegt men, omdat de echtgenote van de premier hem niet als zodanig geportretteerd wilde zien.

In het midden van een ander schilderij treffen we graaf Albert Apponyi aan, symbool van de door verschrikkingen getroffen natie, die de Hongaarse delegatie leidde tijdens de vredesonderhandelingen die uitmondden in de ondertekening van het Verdrag van Trianon [op 4 juni 1920 in Versailles].

Buitenlandse politici die de ontmanteling van Hongarije hebben afgedwongen, worden als symbolische beulen afgebeeld. Het schilderij wordt gecompleteerd met symbolen van de Vrijmetselarij, zodat zelfs de meest bekrompen bezoeker begrijpt waar het om draait.

Regent Horthy [die van 1920 tot 1944 leiding gaf aan het land], symbool van het interbellum, zien we zitten op een paard dat niet zijn eigen weg kan volgen omdat mysterieuze, uit het duister stekende handen de teugels vasthouden. Dit verbeeldt op aangrijpende wijze de kwellingen waarmee de regering Orbán wordt geconfronteerd. Het is haar opdracht het goede doen, maar daarin wordt zij tegengewerkt door duistere krachten uit het buitenland en verraders van binnenuit.

Maar het werk dat de meeste verontwaardiging heeft opgeroepen en ook menigeen een glimlach heeft ontlokt, is een voorstelling van de protesten in 2006 [een demonstratie tegen de socialistische regering van Ferenc Gyurcsány ter gelegenheid van de vijftigste herdenking van de opstand in 1956, werd met geweld de kop ingedrukt].

Uitgaande van het motief van Sint Joris die met zijn lans een draak doorboort, heeft de kunstenaar een geheel in het zwart gestoken politieman geschilderd die vanaf zijn paard een in het wit geklede vrouw liggend op de grond doorklieft. Volgens hem symboliseert de prinses de Hongaarse natie die door de "demonische" buitenlandse macht wordt vertrapt.

De geschiedenis en de realiteit worden herschreven

Dit schilderij is beslist de meest volmaakte illustratie van de nieuwe verplichte artistieke canon, die slechts dient om de enige officiële correcte interpretatie van de geschiedenis en de politieke actualiteit vast te leggen. Of preciezer gezegd, de geschiedenis en de realiteit worden herschreven en vervangen door een politiek gemotiveerde mythologie.

De exposities in het kasteel van Boeda zijn slechts de meest zichtbare uitingsvormen van dit fenomeen. Daarbij worden alle mogelijke middelen ingezet om een nieuwe, authentieke, Hongaarse cultuur en nationale mythologie tot norm te verheffen. In de grondwet die aan het begin van het jaar in werking is getreden, wordt de Hongaarse Academie van Kunsten op dezelfde voet geplaatst als de Hongaarse Academie van Wetenschappen. Ondanks een hoogdravende naam gaat het tot op heden slechts om een particuliere organisatie van scheppend kunstenaars met nationalistische denkbeelden die trouw zijn aan Orbán.

Een maniakale manier om zichzelf te promoten

**Er is bijvoorbeeld een televisieprogramma waarin wordt getoond wat de Hongaren de wereld hebben gebracht en wat voor uitvindingen zij hebben gedaan. In een ander programma, Magyarország, szeretlek! [Ik hou van Hongarije], wedijveren teams van sporters en beroemdheden met elkaar en noemen zij positieve punten van Hongarije [dit van oorsprong Nederlandse spel is in diverse andere Europese landen op tv te zien].

En om de tweede pijler van de in de grondwet beschreven staatsideologie niet te vergeten, wordt er een tv-spel voor het hele gezin rondom de Bijbel uitgezonden. Op al deze manieren wordt een patriottische gezindheid onder de bevolking verspreid. Deze programma's hebben net zo'n kitscherige uitstraling als de commerciële zenders, wat lachwekkend overkomt omdat zij zo hardnekkig proberen zich als hoeders van de traditionele waarden voor te doen.

De staatscultuur werkt steeds meer op de lachspieren. Deze maniakale manier om zichzelf te promoten, roept het beeld op van een geremde paranoïde persoon, die voortdurend van zijn eigen belangrijkheid overtuigd moet worden en geen enkele kritiek verdraagt. Toch is het deze meest tweederangse door het regime opgelegde cultuur die via de culturele staatsinstellingen en vaderlandslievende organisaties naar het buitenland wordt geëxporteerd.**

Factual or translation error? Tell us.