Vluchtelingen reizend over de Balkanroute 3/5: Auto, vliegtuig, trein en boot; de vervoersmiddelen van een vluchteling

Station van Szeged in juli 2015. Vluchtelingen bekijken een kaart van Hongarije waarop de kampen staan waar ze zich naar moeten begeven.
Station van Szeged in juli 2015. Vluchtelingen bekijken een kaart van Hongarije waarop de kampen staan waar ze zich naar moeten begeven.
25 september 2015 – Osservatorio Balcani e Caucaso Transeuropa (Trento)

Dit is het derde deel van een reportage over wat er zich afspeelt rond de Hongaarse grens, waar de overheid een vier meter hoog hek heeft gebouwd om migranten ervan te weerhouden de EU binnen te komen. Op het station van Szeged vertellen vluchtelingen hun verhaal terwijl ze wachten op de trein naar Boedapest. Fragmenten.

“Waar kan ik mijn peuk weggooien?”, vraagt een migrant tot onze verbazing.

“Geen idee, ik kom hier ook niet vandaan”, antwoord ik.

“Ik gooi hem daar weg, in de prullenbak.”

“Ik heb er net een op de grond gegooid”, zegt een inwoner van Szeged die ons vergezelt op het stationsplein. Daar heeft de politie een zestigtal migranten afgezet die wachten op de eerste trein van de dag naar Boedapest. De trek vertrekt over een uur of zeven om 4h36. De migrant komt, nadat hij zijn peuk in de vuilnisbak heeft gegooid, bij ons terug. Hij ademt diep in en begint te praten. Hij stopt geen een keer. We hoeven hem geen vragen te stellen.

“Willen jullie dat ik mijn verhaal vertel? Ik ben een maand geleden, begin juni, uit Damascus vertrokken. Ik moest langs verschillende controleposten en ik ben met de auto naar Beiroet gegaan. Daar heb ik het vliegtuig naar Turkije genomen. Daarna een boot naar Griekenland. Ik ben door Athene, Thessaloniki, Polikastro en Evzonoi gereisd. We zijn te voet de grens met Macedonië overgestoken. In Macedonië hebben we gefietst, gelopen en de trein genomen. In Servië hebben we gelopen, hebben we met de trein en de auto gereisd. Daarna hebben we gelopen tot we door de Hongaarse politie werden aangehouden. Om hier te komen, hebben we alle denkbare manieren van reizen gebruikt."

Hij vervolgt: "Vanaf een strand in de buurt van Izmir hebben we een boot genomen van Turkije naar Griekenland en zijn we op het eiland Kos aangekomen. Ik heb 900 dollar [bijna 800 euro, red.] betaald. Vluchtelingen die later arriveerden, hebben tot wel 1500 dollar betaald. We waren erg bang. Zij [de mensensmokkelaars, red.] hebben ons diep in de nacht meegenomen. Ze vertelden ons dat we stil moesten zijn, dat de kinderen niet moesten huilen en dat we zelfs geen sigaret mochten aansteken. Op het strand kregen we allemaal een reddingsvest en moesten aan boord van een opblaasboot waarop stond dat er maximaal dertig personen op mochten. Wij waren met wel 46 volwassenen en vier kinderen!"

"Toen we allemaal aan boord waren, vroegen we aan de mensensmokkelaars: "Wie gaat de boot besturen?". Zij antwoordden dat wij dat zelf moesten doen. Niemand van ons wist hoe dat moest. Ze gaven ons een oude mobiele telefoon en hielden ons in de gaten vanaf een heuvel. Door de telefoon zeiden "naar links, naar rechts", afhankelijk van onze koers. Na ongeveer een uur kwamen we aan op het strand van Kos. Het was een wonder. We waren zo gelukkig, we waren in Europa aangekomen! Willen jullie de video zien? Ik heb hem op mijn smartphone, kijk maar."

Hij laat ons het einde van zijn reisverslag zien. Bij zonsopgang arriveert de boot op een Europees strand. Daarna enkele foto's. Een beeld van het strand bezaaid met tientallen, mogelijk honderden reddingsvesten die achtergelaten zijn na overtochten van andere migranten, een 'selfie' van hem met een grote glimlach. Op de achtergrond ligt de halfvergane boot. "Aan het eind van de reis was de boot lek gegaan. We waren bijna gezonken in de laatste mijlen", vervolgt hij.

Hier in Szeged, op de het stationsplein, komt een fietser voorbij en daarna enkele nachttrams. Nummer 2, bestemming: Euròpa liget, Europapark. Onze getuige zegt:

"Maar het ergste moest nog komen, in Macedonië, door de maffia en de mensensmokkelaars. Ik geloof dat ze onder een hoedje spelen met de politie. We zijn aangevallen in de bergen. Maar er gebeurde iets grappigs. Op een gegeven moment moest onze groep van ongeveer tien personen fietsen kopen om verder te kunnen reizen. We kochten er allemaal een, voor 125 euro per stuk. Toen we klaarstonden voor vertrek, ze een: "Maar ik kan helemaal niet fietsen!" Weet je wat er toen gebeurde? Toen hebben wij hem gedurende een half uur leren fietsen. Hij had het snel onder de knie en toen konden we ons avontuur vervolgen. In een half uur heeft hij leren fietsen!"

"Uiteindelijk zijn we afgelopen nacht in Hongarije aangekomen. We hebben 500 euro betaald aan Servische mensensmokkelaars zodat zij ons zouden helpen de grens oversteken. Als we in Wenen aankomen, moeten we nog eens duizend euro extra betalen. Dat is heel duur, maar het is het zeker waard. Weet u wat wij tot nu toe hebben betaald? Ongeveer drieduizend euro. Er is een Syriër bij die het is gelukt om een vals paspoort te kopen in Griekenland, van een Griek die op hem lijkt. Weet u wat dat paspoort heeft gekost? Negenduizend euro. De prijs voor een vliegticket voor een directe vlucht naar Duitsland! Het was duur, maar ook veel makkelijker. Ik zou hetzelfde hebben gedaan."

Zijn telefoon rinkelt. Het is een vriend uit Damascus. Hij neemt niet op, maar vraagt zich af of hij niet naar huis kan bellen. Als het zijn vriend lukt om hem te bellen, dan is er misschien elektriciteit in Damascus. Hij kan slechts met zijn familie spreken als hij over een wifiverbinding beschikt hier in Europa en er elektriciteit in Damascus is, iets dat bijna niet voorkomt. Hij heeft al drie dagen niet met zijn moeder kunnen spreken. Zij kent het verhaal over de laatste grensovergang nog niet. Ook deze keer lukt het niet, het was niet het goede moment. Hij vervolgt:

"Afgelopen nacht zijn wij te voet de grens overgestoken. Daar stond een auto op ons te wachten. We zaten in de auto toen er een man kwam. Hij was in burgerkleding en richtte een pistool op het hoofd van de bestuurder, een Serviër. Ze schreeuwden tegen elkaar. We waren allemaal erg bang. Daarna kwam de politie en die heeft ons meegenomen naar het bureau. We kwamen daar om 23h aan. Zij gaven ons rond een uur 's ochtends te eten: brood, chocolade en snoep. Daarna hebben ze digitale vingerafdrukken van ons gemaakt. Op het bureau was ik erg bang. Een agent sloeg op het hoofd van een andere Syrische vluchteling en hij schreeuwde: 'Ik zet jou in de gevangenis.' En mijn Syrische vriend schreeuwde naar de Hongaarse politieagent: "Ik vertel de Verenigde Naties wat jij mij aandoet! Wij zijn op de vlucht voor oorlog en geweld. Wij willen niet nog meer geweld meemaken. Zij hebben ons niet menselijk behandeld. Ik ben slechts een mens."

Hij geeft ons een sigaret voor hij er zelf een opsteekt. Hij heeft zijn pakje gekocht van een politieagent voor vijf euro. Hier kost hetzelfde pakje drie euro. In zijn zak die hij stevig tegen zijn broekriem vasthoudt, heeft hij naast de sigaretten een sigaar die op zal roken als hij op zijn plaats van bestemming komt. Hij had er twee. Een heeft hij er op gerookt bij het vertrek uit Damascus:

“Ik kon niet langer in Syrië blijven. Een van mijn neven is ontvoerd bij een controlepost van de politie. Er is geen toekomst meer. Toen ik jong was [hij is nu dertig jaar oud, red.] had ik een handdoeken- en lakenfabriek in Douma, vlakbij Damascus. Ik ben verliefd geworden en getrouwd, dat was een fout. Daarna brak de oorlog uit en werd mijn fabriek verwoest. Toch ben ik vanaf 2011 naar de universiteit gegaan voor een opleiding management. Tegelijkertijd werkte ik als directeur van een bank. Ik wilde niet weg uit Syrië. Mijn moeder was erg verdrietig, want ik ben haar enige zoon. Nu wonen mijn ouders alleen met mijn zusters. Niets aan te doen. Ik kan niet een nieuw bedrijf oprichten in oorlogstijd in een land onder embargo zoals Syrië. Ik wil een nieuwe toekomst opbouwen in Europa. In vier of vijf jaar wil ik de Zweedse nationaliteit krijgen.”

“Hoe heet jij?”

“Ik heet Mohammed.”

“Ik ben Balázs.”

Door het gat dat dit jaar in het prikkeldraad is gemaakt gaat Balázs Szalai momenteel vaker naar het station van Szeged dan huis. Deze freelance journalist in de dertig werkt voor Radio Mi en voert actie voor de Hongaarse solidariteitsbeweging voor migranten Migszol.

Balázs heeft met een paar andere lokale vrijwilligers (een groep die de afgelopen weken is gegroeid) voedsel ingezameld voor een zestigtal personen die op de eerste trein naar hun nieuwe toekomst wachten. Hij probeert ook aan deze mannen en vrouwen te vertellen wat hij weet. Ze dragen allemaal een groene armband en ze hebben allemaal een brief in het Hongaars ontvangen waarin staat dat ze zich binnen drie dagen in Debrecen moeten melden, het grootste opvangcentrum voor vluchtelingen en asielzoekers, een centrum dat uit zijn voegen barst.

Enkelen hebben ook een fotokopie op A4-formaat met een kaart in zwart-wit van Hongarije waarop de plaatsen Szeged, Debrecen en Boedapest staan aangegeven. Maar niemand volgt de officiële aanbeveling op om naar het officiële opvangcentrum te gaan: de bestemming is voor allen eerst Boedapest en daarna, langs de Donau, naar Wenen.

Op het station heeft de klok twaalf uur geslagen. Fatma en Ahmed zijn in de armen van hun ouders in slaapgevallen. Zij komen uit de regio Kamishli, in Syrisch Koerdistan, dat vlakbij een van de vele frontlinies van IS ligt. Op het station bevinden zich vele kinderen. Alleen Fatma (2 jaar) heeft een paar seconden gehuild. Sommigen slapen op de grond, in een dekentje of een slaapzak, vies geworden door reis. Sommigen slapen zittend, tegen een pilaar van een vertrekbord waarop de eerste trein staat waarop alle vluchtelingen wachten: die van 04h36 naar Boekarest. Anderen zitten op de trap. Ze praten of surfen op het internet of spelen met hun mobiele telefoon. Af en toe lukt het om een familielid te bellen die zich aan de andere kant van de oorlog bevinden. Opeens horen we een heldere, zacht stem. "De trein voor Boedapest vertrekt over enkele minuten op spoor 1", wordt er omgeroepen. Er klinken vreugdekreten.

Het geluid van een zoveelste vertrek begint. De zestigtal personen met wie wij de nacht hebben doorgebracht, nemen plaats in de laatste wagon. Er is plaats voor iedereen.

Mohammed zwaait naar me vanaf zijn zitplaats. Een aantal van zijn reiskameraden steken hun hand uit uit het raam om mij, Móni Bensi (de lerares en vertaalster die mij vergezeld) en natuurlijk Balász de hand te schudden. De stationschef blaast op zijn fluitje. Er wordt gegroet en gelachen. "Goodbye!", "Thank you!", "As-salamu alaykum!"

Factual or translation error? Tell us.